Orgaantransplantatie

Gepubliceerd op 22 oktober 2026 om 23:44
 

Orgaantransplantatie, hersendood en de vraag of iemand moeilijker sterft

Onlangs kwam ik een video tegen waarin verschillende aspecten van orgaandonatie werden besproken. Er kwamen interessante onderwerpen aan bod, maar één bewering bleef vooral bij mij hangen: de stelling dat iemand die hersendood is een moeilijker stervensproces zou kunnen doormaken wanneer een orgaan of ander weefsel wordt verwijderd voor transplantatie.

Die gedachte zette mij aan het denken. Wat wordt er precies bedoeld met een moeilijker stervensproces? En waarop is deze aanname gebaseerd dat iemand na het overlijden nog verbonden blijft met het eigen lichaam of met de organen die wordt getransplanteerd?

De andere onderwerpen in de video waren eveneens interessant. Veel resoneert ondanks dat ik op sommige zaken in sommige gevallen een andere interpretatie heb en sommige ook weer niet. Geen wezenlijke verschillen om mijn aandacht op te richten. Daarom besloot ik mij te richten op de uitspraak die met absolute zekerheid werd gesteld dat verbondenheid tussen een overleden persoon en een orgaan oorzaak is van een lastige dood.

Ik heb deze uitspraak vanuit de Ontologische Architectuur van het Fractaal Denkraam onderzocht. Ik wil vooraf benadrukken dat hier verschillende kennisgebieden moeten worden onderscheiden. De vraag naar wat overlijden is, bewustzijn en een eventuele ziel kan enkel filosofisch, religieus of spiritueel worden benaderd. Dat betekent echter niet dat iedere mogelijke verklaring daarmee ook wetenschappelijk is onderbouwd. Daarmee valt ook mijn onderzoek in die zelfde categorie.

Een persoonlijke ervaring is geen bewijs

Bij het bekijken van deze video moest ik ook terugdenken aan een ervaring die ik zelf in 2009 heb gehad. In een flits, alsof ik een klap in mijn nek kreeg, was ik weg. Dit was geen flauwvallen zoals ik dat normaal gesproken wel eens heb ervaren. Achteraf heb ik deze ervaring geïnterpreteerd als een mogelijke bijna-doodervaring. Ik heb deze ervaring uitgebreider in mijn boeken Entanglement van het IK en De Reïncarnatie van de Asceet beschreven.

Tijdens deze ervaring ervoer ik geen enkele verbondenheid met mijn lichaam. Er was geen verlangen, geen verwarring en geen emotie. Wat overbleef, was uitsluitend observatie.

Deze ervaring heeft mijn kijk op de verhouding tussen bewustzijn en het lichaam veranderd. Toch kan ik deze ervaring niet als bewijs aanvoeren dat bewustzijn onafhankelijk van de hersenen kan voortbestaan.

Een persoonlijke ervaring kan nieuwe vragen en inzichten opleveren, maar het vormt geen wetenschappelijk bewijs voor de verklaring die eraan wordt toegekend. Daarvoor is onderzoek nodig dat methodologisch transparant is, waarvan de resultaten kunnen worden getoetst en de resultaten kunnen worden gereproduceerd. Afhankelijk van de onderzoeksvraag is het ook van belang dat hypothesen uitkomsten kunnen voorspellen.

Ik maak voor me zelf onderscheid tussen wat ik zelf heb ervaren, hoe ik die ervaring interpreteer en wat door wetenschappelijk onderzoek kan worden onderbouwd.

Beschrijvingen van mensen met bijna-doodervaringen lopen uiteen maar er zijn ook overeenkomsten. Er zijn verhalen over het waarnemen van het eigen lichaam of omgeving of een gevoel van afstand tot het lichaam. Mensen ervaren ook een andere toestand van bewustzijn tijdens bijna-doodervaringen.

Zulke ervaringen geven aanleiding om vragen te stellen betreffende het bewustzijn, identiteit en de verhouding tussen lichaam en geest. De wetenschap probeert ook aan de hand van die vragen onderzoek te doen, maar er zijn nog geen empirische bewijzen geleverd over een voortbestaan na de dood. De ervaringen van mensen met bijna doodervaringen lijken wel die kant op te wijzen.

Het is belangrijk om die grens helder te houden. Ook wanneer een eigen ervaring persoonlijk overtuigend is. Het blijft een persoonlijke ervaring en geen bewijs.

Wat betekent het eigenlijk om moeilijker te sterven?

De bewering dat iemand na hersendood te zijn verklaart een moeilijker stervensproces zal doormaken wanneer organen worden verwijderd, roept bij mij verschillende vragen op. Wordt hiermee bedoeld dat iemand nog een subjectieve ervaring heeft? Dat een eventuele ziel zich nog aan het lichaam of orgaan hecht? Of dat het verwijderen van een orgaan een bestaande verbondenheid verstoort?

Dat zijn verschillende vragen die ik afzonderlijk probeer te onderzoeken.

Hersendood wordt medisch vastgesteld aan de hand van vastgestelde criteria. Hersendood moet worden onderscheiden van andere toestanden waarin iemand bewusteloos is of niet zelfstandig kan ademen. Daar zijn strikte protocollen voor. Hersendood kan daarentegen spiritueel of religieus worden opgevat als niet dood zijnde.

In de video werd ook met grote zekerheid verteld dat iemand die hersendood is nog over talrijke vitale functies beschikt. Die formulering roept een misleidend beeld op omdat niet werd toegelicht welke functies werden bedoeld. Door medische apparatuur kan bijvoorbeeld de ademhaling ondersteund worden en de bloedsomloop in stand worden gehouden. Hierdoor blijven zuurstof- en koolstofdioxide-uitwisseling, cel-activiteit en andere biologische processen doorgaan. Het betekent niet dat er hersenfuncties zijn of dat er sprake is van subjectieve ervaringen zijn omdat die andere biologische functies doorgaan door middel van die medische apparatuur.

Ook langere tijd na het overlijden kunnen bepaalde cellen en weefsels nog biologisch actief blijven. Daarnaast kunnen na het overlijden ook nog bewegingen optreden die op stuiptrekkingen lijken en die verband houden met resterende activiteit in spieren of zenuwbanen. Zulke verschijnselen vormen geen bewijs dat bewustzijn nog verbonden zou kunnen zijn met het overleden lichaam.

Om de in de video veronderstelde blijvende verbondenheid tussen ziel en een verwijderd orgaan verder te onderzoeken, maak ik een vergelijking met amputatie.

Wanneer bij een levend persoon bijvoorbeeld een vinger wordt geamputeerd, blijft het verwijderde lichaamsdeel onder bepaalde omstandigheden nog enige tijd biologisch intact en levensvatbaar. Bewijs ontbreekt dat het bewustzijn of de ziel van die persoon zich na de amputatie blijft verbinden met de geamputeerde vinger, alsof deze nog een zelfstandig onderdeel van het persoonlijke IK vormt. De persoon kan wel fantoomsensaties ervaren, ook jaren na verwijdering, maar die ontstaan door processen in het zenuwstelsel en niet omdat de persoon de ontbinding van de vinger ervaart.

Waarom zou dit dan wel opgaan voor het bewustzijn of de ziel van een overleden persoon? Waarom zou deze zich wél blijven verbinden met een orgaan dat voor transplantatie wordt verwijderd? Waarop wordt de veronderstelling gebaseerd dat het verwijderen van een orgaan een nare dood veroorzaakt?

De vergelijking met amputatie maakt duidelijk dat er geen bewijs is dat de biologische levensvatbaarheid van een verwijderd lichaamsdeel een blijvende verbinding heeft met het bewustzijn of de persoonlijke identiteit van de oorspronkelijke eigenaar.

Het Fractaal Denkraam maakt daarom onderscheidt tussen de biologische continuïteit van cellen, weefsels, de functionele organisatie van een organisme en de continuïteit van het persoonlijke IK. Dat een orgaan na verwijdering nog levensvatbaar is en in een ontvanger opnieuw een biologische functie kan vervullen, betekent niet dat de persoonlijke identiteit van de donor met dat orgaan wordt overgedragen of ermee verbonden blijft.

Informatie blijft niet hetzelfde als identiteit

Binnen het Fractaal Denkraam wordt de oorsprong van werkelijkheid aan de hand van een voortdurend Proces waarbinnen informatie, entanglement, emergentie en schaalrelativiteit gezamenlijk de ontologische grondslag vormen.

Alles wat bestaat wordt gezien als een configuratie binnen dat proces. Een mens is daarin geen geïsoleerde entiteit, maar een tijdelijke configuratie die ontstaat en functioneert binnen een netwerk van onderlinge relaties en processen. Vanuit dit perspectief is informatieoverdracht geen uitzonderlijk verschijnsel. Ons hele leven bestaat uit het ontvangen, verwerken en integreren van informatie.

Door middel van onze zintuigen nemen we informatie op uit de omgeving. Onze hersenen verwerken en interpreteren deze prikkels, waarna ze bijdragen aan onze waarneming, kennis, herinneringen en ons gedrag. Ook voedsel, medicijnen, bloedtransfusies en orgaantransplantaties kunnen veranderingen veroorzaken in de biologische configuratie van een organisme.

Bij een orgaantransplantatie wordt biologisch materiaal en biologische informatie opgenomen uit de ene configuratie en in de functionele organisatie van een andere configuratie geïmplanteerd. Het getransplanteerde orgaan blijft vervolgens fysiologische functies vervullen en oefent invloed uit op het lichaam van de ontvanger. Dat betekent niet dat de herinneringen, persoonlijkheid of persoonlijke identiteit van de donor worden overgedragen.

Informatieoverdracht is niet hetzelfde als identiteitsoverdracht.

Dat een orgaan biologische informatie van de donor bevat, betekent niet dat het persoonlijke IK van de donor met het orgaan mee verhuist of er aan verbonden blijft. Evenmin volgt daaruit dat een eventuele ziel na het overlijden aan dat orgaan verbonden blijft.

Om die conclusie te kunnen trekken moet eerst worden aangetoond dat biologische informatie op zichzelf een dergelijke persoonlijke of spirituele continuïteit kan dragen.

Binnen het Fractaal Denkraam kan worden onderzocht hoe informatie binnen verschillende configuraties wordt vastgelegd, verwerkt en opnieuw georganiseerd. Maar het model geeft geen empirisch bewijs voor de overdracht van een persoonlijk IK of een ziel via een getransplanteerd orgaan.

Een andere kijk op reïncarnatie

In de video werd ook reïncarnatie besproken. Daarbij wordt uitgegaan van een ziel die na het overlijden het ene lichaam verlaat en vervolgens na een periode in een ander lichaam verdergaat.

Het Fractaal Denkraam kijkt anders naar reïncarnatie. Binnen de benadering van het Fractaal Denkraam betekent voortbestaan niet dat een onveranderlijke persoonlijke kern van het ene lichaam naar het andere verhuist. Het Fractaal Denkraam beziet reïncarnatie als continuïteit van informatie binnen Hét Proces.

Wanneer een configuratie uiteenvalt, betekent dat niet noodzakelijk dat alle informatie en relaties die ermee samenhingen verdwijnen. Informatie blijft in verschillende vormen behouden, wordt overgedragen of wordt onderdeel van nieuwe configuraties. Vanuit dit perspectief wordt reïncarnatie als filosofisch vraagstuk benaderd zonder aanname dat een persoonlijke identiteit letterlijk naar een nieuw lichaam verhuist.

Dat informatie in de natuur behouden blijft, overgedragen wordt of opnieuw wordt georganiseerd, is niet het zelfde als dat iemands persoonlijke herinneringen of bewustzijn na de dood voort blijven bestaan. Ook bewijst het niet dat een nieuw organisme door de her-configuratie een voortzetting is van het persoonlijke IK van een eerder organisme.

De vraag die overblijft

Tijdens het onderzoeken van de bewering over een moeilijker stervensproces, kwam ik uit bij een aantal vragen die niet zomaar gelijk kunnen worden gesteld aan elkaar.

Kunnen een bijna-doodervaringen ons iets leren over de verhouding tussen bewustzijn en hersenactiviteit? Welke vormen van biologische informatie worden overgedragen bij een orgaantransplantatie? Hoe beïnvloedt die informatie de configuratie van de ontvanger? En op welke grond kunnen we stellen dat de persoonlijke identiteit of een eventuele ziel met een orgaan verbonden blijft na het overlijden?

Deze vragen hebben verschillende benaderingen nodig. Medische en biologische vragen kunnen worden onderzocht met wetenschappelijke methoden en kennis die aanwezig zijn. Filosofische vragen hebben heldere begrippen nodig en consistente verbanden en redeneringen. Spirituele overtuigingen kunnen betekenisvol zijn maar kunnen niet als bewijzen worden beschouwd.

Mijn voorlopige conclusie is dat er geen overtuigende onderbouwing is voor de bewering dat iemand na hersendood moeilijker sterft doordat een orgaan wordt getransplanteerd. De gedachte dat een eventuele ziel aan het orgaan verbonden blijft heeft kent geen overtuigende onderbouwing.

Er is ook geen bewijs dat iedere mogelijke spirituele interpretatie uitgesloten is. .

Vanuit het Fractaal Denkraam zie ik het leven als een waardevol proces binnen Hét Proces. Wij zijn tijdelijke configuraties binnen een groter geheel, verbonden met onze omgeving en met andere processen. Wat wij als ons IK ervaren, hangt samen met de specifieke organisatie en werking van die configuratie.

Wat er precies gebeurt met de continuïteit van informatie na overlijden is nog niet in alle opzichten beantwoord. Het voortbestaan of de overdracht van informatie mag niet worden gelijkgesteld aan het voortbestaan van persoonlijke identiteit zonder aanvullend bewijs.

De vraag is uiteindelijk niet alleen wat er met een lichaam gebeurt wanneer iemand sterft, maar ook welke conclusies we op basis van onze ervaringen, overtuigingen en beschikbare kennis verantwoord kunnen trekken.

Dat is de vraag die mij ertoe heeft gebracht deze gedachte verder uit te werken binnen de Ontologische Architectuur van het Fractaal Denkraam.

Ik heb dit verder uitgewerkt in de paper: Orgaantransplantatie, Informatie, entanglement en de continuïteit van het IK


Dave Ruder